Kostendelersnorm: de huidige situatie als referentie

Analyse dossier

De kostendelersnorm verlaagt de uitkering per persoon naarmate er meer volwassenen op een adres wonen. In januari 2026 raakt de norm 42.697 huishoudens: 36.210 in de algemene bijstand (10,5 procent), 4.054 in de AIO, 2.083 in de Anw en circa 350 in de IOAW en IOAZ, plus naar schatting 5.000 uitkeringsjaren in de Toeslagenwet (Tabel 4 p. 18). Het inkomensverschil met de alleenstaandennorm loopt van 4.805 euro per jaar bij twee kostendelers tot 7.688 euro bij vijf. Jaarlijks verplaatst de norm daarmee 205 tot 489 mln euro van deze huishoudens naar de schatkist. Voor de AIO-groep is causaal gemeten dat de norm het persoonlijk inkomen met 1.542 euro per jaar (13 procent) verlaagde, het medicijngebruik voor hypertensie en hoog cholesterol verhoogde en de sterftekans vergrootte. Voor de overige 90 procent van de getroffen huishoudens bestaat geen meting.

Grondoorzaak

(1) Artikel 22a Participatiewet koppelt de uitkeringshoogte aan het aantal volwassenen op een adres, ongeacht de reden van samenwonen en ongeacht het inkomen van de medebewoner; de norm werkt door in AIO, Anw, IOAW, IOAZ en Toeslagenwet. (2) Elke versoepeling maakt de norm voor samenwonende niet-partners gunstiger dan de gehuwdennorm voor partners; reparatie daarvan raamt SZW op circa 1 mld euro per jaar voor de bijstand en circa 15 mld euro voor alle regelingen inclusief de AOW. Dat houdt de norm op zijn plaats. (3) Gemeenten hebben ruimte voor maatwerk maar benutten die weinig uit vrees voor precedentwerking en misbruik; in de Toeslagenwet bestaat geen maatwerkbepaling. (4) Het UWV kan geen variant handhaven bij gebrek aan authentieke bronnen over huishoudsamenstelling. (5) De norm wordt sinds 2020 beoordeeld op de vraag of hij woningdelen belemmert; op bestaanszekerheid van de betrokkenen is hij sinds 2015 nooit geevalueerd.

Sociale schade
6 /10
Complexiteit
8 /10
Escalatierisico
6 /10

Effecten van de huidige situatie

Effecten van de situatie zonder nieuw beleid, in € miljoen per jaar met 1 decimaal. Negatief is een nadelig effect. Lage impact is de grens die het dichtst bij 0 ligt, hoge impact de grens die het verst van 0 ligt, voor positieve en negatieve effecten. Financiële effecten zijn begrotingsuitgaven, begrotingsinkomsten en gemiste belastinginkomsten; maatschappelijke effecten zijn welvaartseffecten; risico's staan als jaarlijkse bufferpremie, kans maal schade. Overdrachten en andere bedragen die niet in het saldo tellen staan apart en tellen niet mee in het totaal. Onderaan staat het totaal.

EffectLage impact
€ mln/jaar
Midden
€ mln/jaar
Hoge impact
€ mln/jaar
HoeveelheidBron
Maatschappelijke effecten (welvaart)
Financiele kwetsbaarheid en schulden huishoudens (eigen schatting)-10,4-25,9-51,92.135 (854 tot 4.270) aantal (personen, objecten, gevallen)
peiljaar 2026
dp:1974 src:32 src:1260
Referentie, afgeleide SCHATTING met lage betrouwbaarheid. Extra financiele kwetsbaarheid en problematische schulden doordat huishoudens met de kostendelersnorm 4.805 tot 7.688 euro per jaar onder de alleenstaandennorm zakken terwijl zij al op het sociaal minimum zitten. Rekenwijze: aandeel van de 42.697 huishoudens (dp:1972) dat door de normverlaging in problematische schulden raakt, aangenomen op 2 / 5 / 10 procent, maal het kengetal 12.143 euro per huishouden per jaar (kengetal 2, afgeleid uit de kabinetsreactie IBO Problematische Schulden, Bron src:32: ten minste 8,5 mld euro bij ruim 700.000 huishoudens). Uitkomst 854 / 2.135 / 4.270 huishoudens maal 12.143 = -10,4 / -25,9 / -51,9 mln euro per jaar, dp:1974. Het aangenomen aandeel is een eigen aanname zonder bron en is de gevoeligste parameter van de hele analyse; bij 1 procent halveert de post bijna, bij 20 procent verdubbelt hij. Dit is gat G9. Geen dubbeltelling met effect 61: het IBO-kengetal bevat arbeidsproductiviteit, verzuim, oninbare vorderingen, invordering en zorgkosten, geen sterfte. Deelverzameling van ae:71 in ana:4 (Ecorys en Verwey-Jonker, 13,2 tot 20,0 mld per jaar, Bron src:1260): over analyses heen niet optellen. Quantity is het aantal huishoudens. Schade, dus negatief.
Gezondheidsverlies en sterfte (QALY/VOLY) (eigen schatting)0,0-7,2-23,372 (0 tot 154) aantal per jaar
peiljaar 2026
dp:1976 src:33 src:2235
Referentie, afgeleide SCHATTING op causale bron. Vroegtijdige sterfte onder AIO-gerechtigden met kostendelers. Bron src:2235: De Bruijn, Vethaak en Knoef, Kostendelersnorm schaadt gezondheid van ouderen met migratieachtergrond, ESB 111 nr. 4860, 21 april 2026, p. 388-391; difference-in-differences op CBS-microdata 2011-2021, behandelgroep 6.533, controlegroep 36.288. Gemeten: sterftekans circa plus 1,5 procentpunt op langere termijn (lineair kansmodel) en circa plus 8 procent over zeven jaar (proportional hazard). Rekenwijze: toegepast op 4.054 AIO-huishoudens met kostendelersnorm (dp:1972, Tabel 4 p. 18) geeft route 1 8,7 extra overlijdens per jaar en route 2 (8 procent maal aangenomen basissterfte 3 procent per jaar bij gemiddelde leeftijd 73,5) 9,7 per jaar; midden afgerond op 9, dp:1976. Band 0 tot 14: de ondergrens is nul omdat de auteurs zelf stellen dat de aannames van de sterftemodellen slecht toetsbaar zijn en voorzichtigheid geboden is. Verloren levensjaren per extra overlijden 5 / 8 / 11, eigen aanname afgeleid van een resterende levensverwachting van circa 13 jaar op 73,5-jarige leeftijd en de verwachting dat marginale sterfte de kwetsbaarsten treft; vergelijk ae:72 in ana:81 (5,5 / 6,5 / 9,0). VOLY 67.900 / 100.300 / 151.100 euro, kengetal 37, CE Delft Handboek Milieuprijzen 2023, prijspeil 2024. Uitkomst 0 / -7,2 / -23,3 mln euro per jaar; Quantity is verloren levensjaren per jaar, 0 / 72 / 154. Geldt UITSLUITEND voor de AIO-groep; extrapolatie naar de 36.210 bijstandshuishoudens is niet toegestaan, zie ae-regel effect 37 en gat G1. Zorgkosten niet apart geboekt: de bron vindt geen significant effect op de totale Zvw-kosten. Schade, dus negatief.
Subtotaal maatschappelijke effecten-10,4-33,1-75,2
Niet in het saldo (overdrachten en overig)
Overdrachten (herverdeling) (telt niet mee)-205,0-422,0-489,042.697 (42.697 tot 47.700) euro per jaar
peiljaar 2026
dp:1973 src:31 src:33 src:217 src:2236
Referentie, huidige situatie. Inkomensoverdracht van huishoudens met kostendelersnorm naar het Rijk, EUR mln per jaar, prijspeil 2026. Midden -422: officiele SZW-raming van de budgettaire kosten van afschaffing in 2029, Significant APE 2026 Figuur 5 p. 10, Bron src:217 en src:31, dp:1973. Laag -489: dezelfde raming structureel. Hoog -205: eigen optelsom van de normbedragen, 42.697 huishoudens (dp:1972) maal 4.805 euro per jaar bij twee kostendelers, kengetal 6, Tabel 2 p. 16. Het verschil van ruim een factor twee tussen beide routes is niet verklaard door de bron en is gat G8; plausibel zijn meerdere uitkeringsgerechtigden per huishouden, nieuwe aanspraken na afschaffing en doorwerking in Anw en Toeslagenwet. De raming laat belastinginverdieneffecten, huurtoeslageffecten en lagere uitvoeringslasten buiten beschouwing (p. 11); de netto budgettaire omvang is dus lager. Kruiscontrole: SZW-verkenning 2021 raamde afschaffing op 421 mln euro bij volumestand 2026, toen nog met leeftijdsgrens 21 jaar, Bron src:2236. Overdracht, klasse 3: wat huishoudens verliezen wint de schatkist, telt niet in het welvaartssaldo, conform CPB en PBL Algemene leidraad MKBA 2013, Bron src:33. TeltInSchade is bewust 0 gezet omdat een zuivere overdracht geen maatschappelijke schade is; dat wijkt af van ae:107, ae:108 en ae:113 en moet door de Scientist worden bevestigd. Quantity 42.697 huishoudens, hoog 47.700 inclusief de SZW-schatting van 5.000 uitkeringsjaren Toeslagenwet (p. 18). Verlies voor huishoudens, dus negatief. Zie ana:30 voor het beleidsalternatief.
Subtotaal niet in het saldo (telt niet mee in het totaal)-205,0-422,0-489,0
Indicatoren (hoeveelheden, tellen niet mee)
Bestaanszekerheid (Niet-financieel) (indicator)geen bedrag42.697 (42.697 tot 47.700) Index
peiljaar 2026
dp:1972 src:217 src:2236 src:2238
Referentie. Aantal huishoudens waarvan de uitkering door de kostendelersnorm onder de alleenstaandennorm ligt: 42.697 in januari 2026, opgebouwd uit 36.210 algemene bijstand, 4.054 AIO, 2.083 Anw en circa 350 IOAW en IOAZ (Significant APE 2026, Tabel 4, p. 18, Bron src:217, dp:1972). Hoog 47.700 inclusief de SZW-schatting van circa 5.000 uitkeringsjaren Toeslagenwet op een totaal van circa 98.000 (p. 18). Ontwikkeling: januari 2020 nog 44.420 van 444.470 bijstandsgerechtigden inclusief AIO, 10 procent (Bron src:2236); de daling komt door de verhoging van de leeftijdsgrens van 21 naar 27 jaar per 1 januari 2023. Het totale bijstandsbestand groeide juist naar 413.000 personen tot de AOW-leeftijd in het tweede kwartaal van 2026 (Bron src:2238). Het inkomensverschil met de alleenstaandennorm bedraagt 4.805 euro per jaar bij twee kostendelers oplopend tot 7.688 euro bij vijf. De eenheid van effect 13 is in de catalogus een index; hier staat de fysieke hoeveelheid huishoudens in Quantity met QuantityUnitId 11. Niet-monetair, klasse 4: nooit optellen bij het saldo. Niet optellen bij de regels voor effect 36 of 62, die dezelfde populatie beschrijven.
Gelijkheid in Gezondheidsuitkomsten (indicator)geen bedrag2,40 (1,80 tot 2,40) Index
peiljaar 2026
dp:1977 src:2235
Referentie. Toename van medicijngebruik bij AIO-gerechtigden met kostendelers ten opzichte van de controlegroep, in procentpunten, kwartaal 19 tot 28 na aankondiging, oftewel circa 4,5 tot 7 jaar. Hoog cholesterol plus 2,4 procentpunt, oftewel plus 5,3 procent; hypertensie plus 1,8 procentpunt, oftewel plus 3,1 procent (dp:1977). Diabetesmedicatie geen robuust effect; stressgerelateerde medicatie geen significant effect, met effecten buiten min 0,4 tot plus 0,8 procentpunt onwaarschijnlijk. Bron src:2235, De Bruijn, Vethaak en Knoef, ESB 111 nr. 4860, 21 april 2026, p. 388-391. Quantity 2,4, band 1,8 tot 2,4, QuantityUnitId 10 procentpunt: de band loopt van het hypertensie-effect tot het cholesteroleffect, het zijn twee indicatoren en geen onzekerheidsmarge van een. Deze regel maakt zichtbaar dat de norm de gezondheidskloof vergroot in een groep waarvan 92 procent een migratieachtergrond heeft. Niet-monetair, klasse 4: nooit optellen. De monetaire waardering van het gezondheidsverlies staat uitsluitend in de regel voor effect 61.
Zorguitgaven (collectief) (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:30 src:217 src:2235
Referentie, PM. Collectieve zorg- en opvangkosten die aan de kostendelersnorm zijn toe te rekenen, zijn niet bekend. Twee deelposten. Ten eerste zorgkosten: Bron src:2235 (De Bruijn, Vethaak en Knoef, ESB 2026) vindt wel oplopende medicijnkosten maar geen significant effect op huisarts-, ziekenhuis- en specialistische zorg, en ook niet op de totale zorgkosten via de Zvw; Wlz-kosten zijn niet meegenomen. Een gevulde post zou hier dus niet gerechtvaardigd zijn. Ten tweede maatschappelijke opvang: Significant APE stelt vast dat de eerdere leeftijdsgrens van 21 jaar meer dak- en thuisloosheid onder jongeren veroorzaakte (Bron src:217, p. 15) en dat een kostendeler die niet bijdraagt de hoofdbewoner in financiele problemen kan brengen (p. 24-25), maar het aantal mensen dat door de norm in de opvang terechtkomt is nergens geregistreerd (vgl. Bron src:30). Indicatief, uitdrukkelijk niet in het totaal: 200 tot 1.000 personen per jaar maal 20.000 tot 35.000 euro per persoon per jaar geeft 4 tot 35 mln euro per jaar; het aantal is een illustratie zonder bron. Benodigde data: toerekening van Wmo-opvanginstroom aan de kostendelersnorm, op te vragen bij VNG, Valente en Netwerk DAK. Gat G4.
Begrotingsuitgaven (huidige situatie) (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:120 src:217 src:2236
Referentie, PM. Uitvoeringsuitgaven die specifiek met de kostendelersnorm samenhangen: vaststellen en bewaken van de huishoudsamenstelling, beoordelen van uitzonderingen, maatwerkbeslissingen en controle op het onderscheid tussen kostendelen en een gezamenlijke huishouding, bij gemeenten, SVB en UWV. Significant APE behandelt uitvoerbaarheid uitsluitend kwalitatief: afschaffing zou de uitvoerbaarheid aanzienlijk vergroten maar de controlelast op het begrip gezamenlijke huishouding verhogen (Bron src:217, p. 10), en lagere uitvoeringslasten zijn in de raming niet meegenomen (p. 11). Het UWV kan geen van de onderzochte varianten handhaven bij gebrek aan authentieke bronnen over huishoudsamenstelling (Bron src:2236). Er is geen euro-bedrag. Het landelijke normbedrag uitvoeringskosten bijstand van circa 4.200 euro per ontvanger (Bron src:120, dp:146) is niet aan de norm toe te rekenen en wordt hier uitdrukkelijk niet gebruikt. Benodigde data: uitvoeringstoets met kostenraming bij Divosa, VNG, SVB en UWV. Gat G2.
Sectoraal effect gebruikers en producenten (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:2235
Referentie, PM, de bedoelde baat van de norm. Twee onderdelen. Ten eerste de schaalvoordelen die de norm internaliseert: twee volwassenen in een woning hebben samen lagere kosten dan twee alleenwonenden, en zonder de norm zou samenwonen boven het werkelijke kostenniveau worden gecompenseerd. De omvang daarvan is met de Nibud-budgetten per huishoudtype te berekenen, maar die zijn in deze ronde niet opgehaald. Ten tweede de activerende werking die bij invoering in 2015 als doel is genoemd. Voor de AIO-groep is die gemeten en verwaarloosbaar: plus 0,3 procentpunt werk en plus 5,40 euro looninkomen per maand (Bron src:2235, dp:1978), wat logisch is omdat die groep de AOW-leeftijd heeft bereikt. Voor de werkende leeftijd, de 36.210 huishoudens in de algemene bijstand, is geen meting gevonden. Deze regel staat er om te voorkomen dat de analyse alleen de schadekant toont. Benodigde data: Nibud-schaalvoordelen per huishoudtype en een effectmeting van de norm op uitstroom naar werk. Gat G7.
Sociale baten (veiligheid, onderwijs) (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:30 src:2236
Referentie, PM. Verlies van toegang tot voorzieningen en rechtsbescherming door uitschrijving uit de basisregistratie personen. Significant stelde vast dat sinds 2015 meer jongeren uit bijstandsgezinnen vanaf 21 jaar het ouderlijk huis verlieten en vaker werden uitgeschreven met bestemming onbekend (Bron src:2236). Per 1 januari 2023 is de leeftijdsgrens naar 27 jaar gegaan, waardoor dit kanaal voor 21- tot 26-jarigen is gesloten en voor 27-plussers open is gebleven; een meting na 2023 bestaat niet. Het aantal mensen zonder inschrijving wordt nergens geregistreerd, zoals ook vastgesteld bij dossier C3 briefadres (Bron src:30). Niet te monetariseren zonder dat aantal. Benodigde data: aantal BRP-uitschrijvingen met bestemming onbekend vanuit huishoudens met kostendelersnorm, op te vragen bij RvIG en CBS. Gat G6.
Sociale Cohesie en Vertrouwen (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:217 src:2237
Referentie, PM. De norm maakt het financieel nadelig om iemand in huis te nemen om voor hem te zorgen. SCP stelt vast dat 39 procent van de Nederlanders mantelzorg geeft, dat 23 procent van de mantelzorgers een huisgenoot helpt en dat die groep gemiddeld 16 uur per week helpt (Mantelzorg in beweging. Kerncijfers en trends 2014-2024, 21 mei 2026). Hoeveel van de 42.697 huishoudens met kostendelersnorm een mantelzorgrelatie betreft, is nergens geregistreerd. Significant APE noemt mantelzorgers als deelgroep a van variant 4 en stelt dat de groep lastig objectief af te bakenen is en een intensievere beoordeling door de uitvoerder vergt (Bron src:217, p. 9). De rijksoverheid vermeldt op haar vraag-en-antwoordpagina een uitzondering voor wie tijdelijk inwoont om te verzorgen (Bron src:2237); of die uitzondering het hoofdverblijf dekt is niet vastgesteld. Dat is tegenstrijdigheid T3 en beleidsmatig het belangrijkste punt om uit te zoeken, omdat maatregel C2 (ana:30) erop steunt. Benodigde data: aantal mantelzorgrelaties binnen de doelgroep, via een uitvraag bij gemeenten of koppeling aan de Wmo-mantelzorgindicatie. Gat G3.
Rampenrisico (jaarlijkse premie) (indicator)geen bedrag–
peiljaar 2026
src:217 src:2235
Referentie, PM. Risico dat de kostendelersnorm achteraf moet worden gerepareerd, bijvoorbeeld na een rechterlijke uitspraak over de verenigbaarheid met het recht op gezinsleven of het discriminatieverbod, nu er een causale meting ligt die een onevenredig effect laat zien op een groep waarvan 92 procent een migratieachtergrond heeft (Bron src:2235). Een jaarlijkse bufferpremie vereist een kans per jaar en een schadebedrag per gebeurtenis; beide ontbreken. Er loopt geen procedure die bij ons bekend is. Voor de ordegrootte van een reparatie: SZW raamt het gelijktrekken van de gehuwdennorm bij afschaffing op circa 1 mld euro per jaar voor de bijstand en circa 15 mld euro per jaar voor alle regelingen inclusief de AOW (Bron src:217, p. 10). Dat is een beleidsvariant, geen schadebedrag, en mag niet als zodanig worden gebruikt. Benodigde data: juridische toets en een kansinschatting, net als kengetal 43 voor het toeslagenstelsel in ana:49. Gat G10.
Onbenutte woonruimte door regelgeving (eigen schatting) (indicator)geen bedrag9.550 (3.900 tot 15.200) woningen
peiljaar 2026
dp:274 src:217
Referentie, raming uit de bron. Woonruimte die onbenut blijft doordat de kostendelersnorm woningdelen ontmoedigt: 3.900 tot 15.200 woningen, midden 9.550 als rekenkundig gemiddelde zonder eigen status. Bron src:217, Significant APE 2026, Figuur 5 p. 10, dp:274. Belangrijke kanttekeningen. Het is het ex ante effect van volledige afschaffing, niet een gemeten kenmerk van de huidige situatie. Het rapport noemt de bovengrens optimistisch omdat die ervan uitgaat dat bij woningdelen altijd een woning vrijkomt (voetnoot 1, p. 10). Het rapport concludeert dat aanpassing van de norm geen doelmatige manier is om woningdelen te stimuleren: 32.000 tot 125.000 euro per vrijgespeelde woning per jaar, meer dan de bouwkosten van een nieuwe woning (p. 11). Overlapt met dp:274 in ana:34; InTotaal 0 en TeltInSchade 0, dus nergens optellen. De gemonetariseerde milieubaat van vermeden nieuwbouw hoort bij het beleidsalternatief en staat in ana:30. Effect 75 is bij deze analyse nieuw aangemaakt omdat de catalogus geen generieke post voor onbenutte woonruimte had; effect 56 is specifiek voor geluid.
Totaal effect huidig beleid-10,4-33,1-75,2financiële effecten + maatschappelijke effecten + risico's
waarvan eigen schatting: -10,4 / -33,1 / -75,2 € mln per jaar (lage impact / midden / hoge impact)

Open data: help mee. Zie je een fout, een betere bron of een ontbrekend cijfer in deze analyse? Stel een correctie of aanvulling voor. Voorstellen worden alleen door een mens beoordeeld en doorgevoerd; elke wijziging wordt gelogd.

Correctie of aanvulling voorstellen
Video / media

Analyse

Probleem

De kostendelersnorm verlaagt de uitkering per persoon naarmate er meer volwassenen op een adres wonen. In januari 2026 raakt de norm 42.697 huishoudens: 36.210 in de algemene bijstand (10,5 procent van 343.950), 4.054 in de AIO, 2.083 in de Anw en circa 350 in de IOAW en IOAZ, plus naar schatting 5.000 uitkeringsjaren in de Toeslagenwet (dp:1972, src:217, Tabel 4 p. 18). Het verschil met de alleenstaandennorm van 1.401,50 euro netto per maand loopt van 400,43 euro per maand bij twee kostendelers (4.805 euro per jaar) tot 640,69 euro bij vijf (7.688 euro per jaar). Deze huishoudens zitten al op het sociaal minimum; de norm duwt hen daaronder.

De norm verplaatst daarmee jaarlijks 205 tot 489 mln euro van deze huishoudens naar de schatkist (ae:124, dp:1973). Dat is herverdeling en in MKBA-termen geen welvaartsverlies. Het welvaartsverlies zit in wat er bovenop komt: schulden, gezondheidsschade, opvang. Dat deel ramen wij op -33 mln euro per jaar, band -10 tot -75 mln (ae:125 en ae:126), netto contante waarde over 30 jaar -0,67 mrd euro, band -0,21 tot -1,51 mrd.

Wie het raakt

De uitsplitsing is mager, en dat is zelf een bevinding. De best onderzochte groep zijn ouderen met een AIO-aanvulling op een onvolledige AOW: 92 procent met migratieachtergrond, 60 procent vrouw, gemiddelde leeftijd 73,5 jaar, gemiddelde uitkering circa 325 euro per maand (src:2235). Voor jongeren gold de norm tot 1 januari 2023 vanaf 21 jaar; sinds 2015 verlieten meer jongeren uit bijstandsgezinnen vanaf die leeftijd het ouderlijk huis en werden zij vaker uit de BRP uitgeschreven met bestemming onbekend (src:2236), wat Significant APE in 2026 bevestigt (src:217, p. 15). Naar kinderen, alleenstaande ouders, chronisch zieken, arbeidsbeperkten en regio is geen uitsplitsing beschikbaar; de enige die bestaat is die van januari 2020: van 44.420 huishoudens waren er 35.165 alleenstaand, 4.060 alleenstaande ouder en 5.180 gehuwd of samenwonend (src:2236).

Wat er causaal gemeten is

Een difference-in-differences op CBS-microdata 2011-2021 met 6.533 AIO-gerechtigden met kostendelers tegenover 36.288 zonder (src:2235) vindt: persoonlijk jaarinkomen min 1.542 euro (min 13 procent), minimaal zeven jaar aanhoudend (dp:1978); medicijngebruik voor hoog cholesterol plus 2,4 procentpunt en voor hypertensie plus 1,8 procentpunt in kwartaal 19 tot 28 (dp:1977); sterftekans circa plus 1,5 procentpunt op langere termijn en circa plus 8 procent over zeven jaar (dp:1976). Geen significant effect op diabetesmedicatie, stressgerelateerde medicatie of de totale zorgkosten via de Zvw; Wlz is niet gemeten. De auteurs waarschuwen expliciet dat de aannames van de sterftemodellen slecht toetsbaar zijn.

Dit geldt voor 4.054 van de 42.697 huishoudens. Voor de overige 90 procent bestaat geen meting, en doortrekken zou een verzonnen getal opleveren. Die groepen staan daarom als PM in de analyse. De gemonetariseerde referentieschade is dus een ondergrens van onbekende scherpte.

Wat de norm in stand houdt

(1) Artikel 22a Participatiewet koppelt de uitkeringshoogte aan het aantal volwassenen op een adres, ongeacht de reden van samenwonen en ongeacht het inkomen van de medebewoner. (2) Elke versoepeling maakt de norm voor samenwonende niet-partners gunstiger dan de gehuwdennorm voor partners; reparatie daarvan raamt SZW op circa 1 mld euro per jaar voor de bijstand en circa 15 mld euro voor alle regelingen inclusief de AOW (src:217, p. 10). Dat is de belangrijkste reden dat de norm blijft staan. (3) Gemeenten hebben ruimte voor maatwerk maar benutten die weinig uit vrees voor precedentwerking en misbruik; in de Toeslagenwet bestaat geen maatwerkbepaling (src:217, p. 25). (4) Het UWV kan geen variant handhaven bij gebrek aan authentieke bronnen over huishoudsamenstelling (src:2236). (5) De norm wordt sinds 2020 beoordeeld op de vraag of hij woningdelen belemmert; op bestaanszekerheid van de betrokkenen is hij sinds 2015 nooit geevalueerd.

Samenhang met andere analyses

Beleidsalternatief gerichte uitzondering: ana:30. Acute armoede-escalatie en de landelijke raming van financiele kwetsbaarheid: ana:4, waarvan ae:125 een deelverzameling is; niet bij elkaar optellen. Woningnood als verdelingsprobleem: ana:34, waarmee ae:135 overlapt. Toeslagenstelsel: ana:49. Het AOW-partnerbegrip werkt vergelijkbaar maar is een andere wet en hoort in een eigen analyse. De bijstand als geheel krijgt een aparte analyse: hoogte en toereikendheid van de bijstandsnorm, vermogenstoets, bijverdiengrenzen, boetes en terugvordering horen daar en niet hier.

Maatregelen in volgorde stoppen, bron, herstel, weerbaarheid

1. Stoppen. Volledige afschaffing kost 422 mln euro in 2029 en 489 mln structureel, plus een niet-geraamde reparatie van de gehuwdennorm. Als woningmarktinstrument is dat door de onderzoekers van de ministeries zelf afgewezen: 32.000 tot 125.000 euro per vrijgespeelde woning per jaar, meer dan de bouwkosten van een nieuwe woning (src:217, p. 11). Als bestaanszekerheidsmaatregel is het nooit beoordeeld.

2. De bron aanpakken. Een gerichte uitzondering voor mantelzorg, eerste- en tweedegraads familie en personen tot 30 jaar, variant 4 van src:217 en de enige die niet is doorgerekend; eigen raming circa 25 mln euro per jaar (ana:30), twintig keer minder dan afschaffing. Het uitvoeringsbezwaar bij mantelzorg is oplosbaar door aan te sluiten bij een bestaande Wmo-mantelzorgindicatie. Verder naar de oorzaak: een medebewonersnorm, in 2021 geraamd op 75 mln euro en budgettair neutraal te maken met een circa 10 procent lagere hoofdbewonersnorm (src:2236), koppelt de uitkering aan wat mensen werkelijk delen in plaats van aan een adres.

3. Herstel. Een uitzondering voor de AIO, door de onderzoekers zelf voorgesteld mede omdat de norm voor de AOW nooit is ingevoerd. Kosten in de orde van 26 mln euro per jaar (src:2236, variant 5, AIO-deel). De goedkoopste herstelmaatregel in het dossier en de enige met een causale onderbouwing.

4. Weerbaarheid. Een wettelijke hardheidsclausule die gemeenten tot maatwerk verplicht in plaats van het toe te staan; een maatwerkbepaling in de Toeslagenwet, die daar nu volledig ontbreekt; en een evaluatieverplichting op bestaanszekerheid.

Maatschappelijke kosten (referentieschade, concept)

Gemonetariseerd: ae:125 extra financiele kwetsbaarheid en schulden -10,4 / -25,9 / -51,9 mln euro per jaar, en ae:126 vroegtijdige sterfte onder AIO-gerechtigden 0 / -7,2 / -23,3 mln euro per jaar. Samen -10,4 / -33,1 / -75,2 mln euro per jaar, prijspeil 2026. De overdracht van 422 mln euro (ae:124) telt hier niet in mee: herverdeling is geen welvaartsverlies volgens de Algemene leidraad voor MKBA (src:33). Wordt op die overdracht een verdelingsgewicht van 2,0 gelegd, zoals het platform elders doet, dan komt het saldo uit op -455 mln euro per jaar en de netto contante waarde op -9,2 mrd euro. Dat scenario hoort altijd naast de basisvariant te worden getoond, nooit in plaats daarvan. Discontovoet getrapt 2,8 procent tot en met jaar 35 en 1,8 procent daarna (src:33), horizon 30 jaar, annuiteitfactor 20,12.

Gaten

G1: geen causale meting buiten de AIO-groep, waardoor 90 procent van de getroffen huishoudens als PM staat. G9: het aandeel huishoudens dat door de norm in problematische schulden raakt (2 / 5 / 10 procent) is een eigen aanname zonder bron en is de gevoeligste parameter. G8: het verschil tussen de officiele raming van 489 mln euro en de optelsom van de normbedragen van 205 mln euro is een factor twee en niet verklaard. G3: aantal mantelzorgrelaties binnen de doelgroep onbekend. G2: uitvoeringskosten specifiek voor de norm onbekend. G5: geen uitsplitsing naar kinderen, alleenstaande ouders, chronisch zieken en regio. G4: geen toerekening van opvanginstroom. G6: geen meting van BRP-uitschrijvingen na 2023. G7: schaalvoordelen en activerende werking niet gekwantificeerd. G11: Nibud, CPB, Algemene Rekenkamer, Kinderombudsman, UWV en VNG niet rechtstreeks geraadpleegd. G12: de volledige tekst van artikel 22a Participatiewet en de hoofdstukken 5 tot 9 van src:217 zijn niet uitgelezen.

Tegenstrijdigheden

T1: het aantal AIO-gerechtigden is 56.149 volgens src:217 (Tabel 4) en ruim 75.000 volgens de infographic bij src:2235; mogelijk personen tegenover uitkeringen, maar dat staat nergens. T2: src:217 noemt op p. 16 een netto sociaal minimum van 2.294,40 euro per maand waarvan een alleenstaande 70 procent krijgt, namelijk 1.401,50 euro; die twee getallen sluiten niet op elkaar aan, want 70 procent van 2.294,40 is 1.606,08. Wij rekenen met de impliciete grondslag van 2.002,14 euro, die aansluit op het normbedrag en op kengetal 6. T3: src:2237 vermeldt een uitzondering voor wie tijdelijk inwoont om te verzorgen, terwijl src:217 een mantelzorguitzondering juist als nieuwe variant behandelt; vermoedelijk het verschil tussen tijdelijk verblijf en hoofdverblijf, maar niet vastgesteld. T4: zie G8.

Betrokken bestuurders

Maatregelen

Herkomst van de bedragen per maatregel

Herkomst van de bedragen

Bronnen van deze analyse

Voor het rampscenario en de omvang van de geldstroom is nog geen bron per bedrag vastgelegd. Hieronder staan de bronnen en datapunten van de hele analyse.

Bronnen

Datapunten

Bronnen bij deze analyse
  • Aantal mensen met bijstand stijgt 3 jaar op rij, vooral onder jongerenonlineCBS 2026
  • Kostendelersnorm schaadt gezondheid van ouderen met migratieachtergrond, ESB 111 (4860), p. 388-391onlineErnst-Jan de Bruijn, Heike Vethaak, Marike Knoef (Universiteit Leiden en Tilburg University); gefinancierd door NWO en ZonMw 2026
  • Kwetsbare gezinnen in maatschappelijk perspectief: een verkenning van kosten en baten, MKBA preventief integraal werken rond gezinnen in een kwetsbare positiedocumentonlineEcorys en Verwey-Jonker Instituut, in opdracht van SZW 2026
  • Verkenning varianten kostendelersnorm en effect op woningdelenonlineSignificant APE (Visser e.a.) i.o.v. Ministerie van VRO 2026
  • Verkenning varianten kostendelersnorm en het effect op woningdelenonlineSignificant APE 2026
  • Wat is de kostendelersnorm in de bijstand (vraag en antwoord)onlineRijksoverheid 2026
  • Handreiking herijking gemeentefonds Participatie (normbedrag uitvoeringskosten bijstand)onlineBerenschot / Divosa (o.b.v. AEF 2015/2020) 2025
  • Rapport Werkgroep discontovoet 2025 (19-09-2025; Kamerstuk 29352 nr. 12, kabinetsreactie 31-10-2025, geldt vanaf 1-1-2026): standaard 2,8/1,8%, laag 2,2/1,4%, hoog 4,2/2,7%; met Algemene Leidraad MKBA (2013) en Handboek Milieuprijzen (2023)onlineCPB/PBL; Werkgroep Discontovoet (2020, 2025); Ministerie van Financiën; CE Delft 2025
  • Kabinetsreactie IBO Problematische SchuldenonlineRijksoverheid (kabinet) 2024
  • Omvang dakloosheid: CBS-schatting en ETHOS-tellingonlineCBS; Kansfonds/Hogeschool Utrecht 2024
  • Verkenning naar een andere vormgeving van de kostendelersnormonlineMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021
Datapunten bij deze analyse
  • 1974 huishoudens Huishoudens die door de kostendelersnorm in problematische schulden raken, met gemonetariseerde schadebron
  • 1978 EUR per jaar Daling persoonlijk jaarinkomen van AIO-gerechtigden door de kostendelersnormbron
  • 1976 extra overlijdens per jaar Extra overlijdens per jaar onder AIO-gerechtigden met kostendelersnorm, met gemonetariseerd verliesbron
  • 1977 procentpunt Toename medicijngebruik AIO-gerechtigden met kostendelersnorm, kwartaal 19 tot 28 na aankondigingbron
  • 1973 EUR per jaar Budgettaire omvang van de kostendelersnorm, gelijk aan de kosten van afschaffingbron
  • 274 woningen (vrijgespeeld) Effect afschaffing kostendelersnorm op woningdelenbron
  • 1972 huishoudens Huishoudens met kostendelersnorm, alle regelingen, januari 2026bron